GODS SLAANDE HAND OVER NEDERLAND

“Schelte was arbeider bij boer Lolle Sybes, die enkele jaren geleden zijn hele veestapel van veertien koeien, door de veepest heeft verloren.De enige koe van Schelte werd ook door de veepest getroffen. En zoals Schelte waren heel veel boeren en arbeiders radeloos."

14. "ALS U ONS TOEN NIET GEHOLPEN HAD"

15.  ZO'N MAN HAD IK NOG NOOIT GEZIEN"

16.  ONS HUIS EEN VRIJPLAATS

 

 

 

 

 

 

14. "ALS U ONS TOEN NIET GEHOLPEN HAD"

 

 

 

Iedere zaterdagavond kwamen er mannen uit ons dorp bij mijn vader op bezoek. 

Eén van hen was Schelte Jans, vader van mijn schoolvriendje Taeke. 

Wat ze op die zaterdagavonden kwamen doen, bleef lang geheim voor mij. 

Een tipje van de sluier werd opgelicht toen ik samen met mijn vader een bezoek bracht aan Schelte Jans.   

Hij woonde met zijn vrouw en kinderen in een klein armoedig woninkje op Halfweg.

Een woning was het eigenlijk niet. Het was een opgeknapt varkenshok. 

Ze woonden en sliepen in één vertrek, waar gekookt, gegeten, gewassen en geslapen werd. 

De woonruimte was door een houten schot gescheiden van de stal. Daar stonden  ‘s-winters een koe, een geit en soms een paar schapen.

Buiten scheen de zon. Binnen was het schemerachtig, vochtig en

het stonk er naar mest.

Terwijl Taeke en ik op het erf speelden, waren mijn vader en Schelte Jans binnen bij de koe en de geit. 

Dat bezoekje aan Schelte Jans is mij altijd bij gebleven, omdat er bij het afscheid iets opvallends gebeurde.

Toen ze elkaar de hand schudden, zei Schelte Jans met trillende stem: 

“Als U ons toen niet geholpen had, dan...”

Hij kon zijn zin niet afmaken, want mijn vader onderbrak hem.

”Het is goed Schelte. Ik ben blij, dat ik jullie heb kunnen helpen.”

“Waarmee hebt U hem geholpen?” vroeg ik op de terugweg. 

“Schelte was arbeider bij boer Lolle Sybes, die enkele jaren geleden zijn hele veestapel van veertien koeien, door de veepest heeft verloren.De enige koe van Schelte werd ook door de veepest getroffen. 

En zoals Schelte waren heel veel boeren en arbeiders radeloos. Ze verdienden niets en alles was vreselijk duur. Dat kwam door de hoge belastingen op brood,

boter, suiker en turf.

De belastingpachters die de belasting moesten innen, waren zeer gehaat. Toen kwamen de boeren en de arbeiders tegen hen in opstand. Ze hebben hun huizen kort en klein geslagen en in brand gestoken.”

“Heeft Taekes vader daar ook aan mee gedaan?”

“Nee, we hebben ze door de winter geholpen en Schelte heeft een tijdje bij mij gewerkt.”

“En gaat het nu beter?”

“Een beetje, Schelte werkt hard voor zijn vrouw en kinderen en ik help hem zo nu en dan, maar zolang de regenten de baas zijn, zal het niet echt beter worden.”

“Regenten, wie zijn dat?”

“Die wonen in Leeuwarden.” “Hebt U wel eens een regent gezien?”

Mijn vader knikte, zonder iets te zeggen.Kort daarna zou ik een hele echte regent ontmoeten.

 

 

                                         EISES DIGITALE SCHATKIST

                              KIJK, LEES, DOE EN ONTDEK

 

 

👍Eise trok zich de armoedige en radeloze leefsituatie van zijn vriendje Taeke erg aan. Hij wilde weten wie de schuld  van alle ellende was. Eises vader knikte, zonder veel te zeggen.

Bestrijding van armoede heeft altijd een belangrijke rol in Eises leven gespeeld. Meer dan twee eeuwen later is er nog altijd veel armoede en honger in de wereld. 

’Kids moving the world’  is een programma waarbij kinderen zich inzetten om de armoedige en radeloze leefsituatie van leeftijdgenoten te verbeteren. Meer weten?

Surf dan naar: http-::www.kidsmovingtheworld.nl: 

 

 👍   Er hebben zich in Friesland verschillende uitbraken van veepest voorgedaan.   Je leest er over op:  

 http-::www.stellingwerven.dds.nl:index17e:economie:veepest.htm

 

 

 

15."ZO’N MAN HAD IK NOG NOOIT GEZIEN"                                                                 

 

 

De dag waarop mijn vader een zonnewijzer voltooide, had altijd iets feestelijks.

Dan droeg hij zijn werkstuk uit de werkplaats naar de tuin en controleerde of alles wel klopte.

Daarna werd de zonnewijzer met lakens omwikkeld. 

En als hij een zonnewijzer wegbracht naar een van de gegoede families op een stins of buitenplaats, mocht ik soms mee en dat was een hele belevenis.

       Die keer naar een regentenfamilie in Leeuwarden, vergeet ik niet meer. We gingen met de trekschuit. Bij de herberg “De Vergulde Hoorn” stapten we in en zochten een zitplaats onder in de roef. Ik zat bij een raampje. De schuit was kort tevoren aangekomen. Schipper Jorritsma en zijn jonge knecht brachten het bezwete en vermoeide trekpaard naar de stal van de herberg en kwamen met een fris paard weer terug. 

Toen het was ingespannen sprong de knecht op zijn rug.

“Touwen los” en “vort peerd”, riep de schipper.

Er ging een lichte trilling door het schip.

”We varen”, riep ik enthousiast. Ik keek naar buiten en zag het paard, met op zijn rug de knecht, stapvoets over het jaagpad gaan.

”Knecht van de schipper, dat wil ik worden”. 

Ik herinner me nog, dat ik dat toen dacht. 

Het heeft niet zo mogen zijn.

Na anderhalf uur meerden we af bij het Schavenek in Leeuwarden.

Toen we op de kade stonden, kwam er een koetsier naar ons toe en vroeg: ”Bent U Jelte Eises ?” en of we wilden instappen. We reden in een open rijtuig naar de binnenstad en stopten voor een groot, deftig huis met een hoog, met  beelden versierd bordes. 

“Hier is het”, zei mijn vader. 

Via een statige voordeur betraden we een fraaie hal waarop deuren van verschillende vertrekken uit kwamen. Een huisknecht ging ons voor naar de ontvangstkamer met gestoffeerde stoelen en fraai versierde tafels en kasten.

Boven een marmeren schoorsteenmantel hing een grote spiegel en daarboven een schilderij in een zwaar vergulde lijst. 

       “Gaat U zitten, ik zal meneer zeggen, dat U er bent.

”Mijnheer kwam binnen. Zo’n man had ik nog nooit gezien. 

Hij had een bepoederde staartpruik op en droeg een goud bestikte glimmende jas met daaronder een overhemd afgezet met kant, een strakke kniebroek, gegespte lakschoenen en witzijden kousen.Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. 

We gingen naar de tuin. Een tuin met een vijver en met beelden. 

 

Het leek wel een park. Maar daar in het midden stond al een zonnewijzer. 

“Hoe kan dat, hoe moet dat nou?”, dacht ik en keek mijn vader vragend aan

“Mag ik U voorgaan, dan gaan we nu naar de kunstkamer”.

De wanden van deze kamer waren van beschilderd behang. Er stonden kasten vol porselein, tin, koper en glaswerk en er lagen kleden van zijde en een Oosters tapijt.

“Ik ben buitengewoon benieuwd hoe het kunstwerk eruit ziet”, sprak de man met de pruik.

“Een kunstwerk”?, dacht ik, “maar mijn vader heeft een zonnewijzer gemaakt”.

Vader verwijderde de lakens. Daar stond de zonnewijzer. 

Ik keek naar de man. “Prachtig, hij past heel goed in mijn collectie”, sprak hij.

       Op de terugweg, in de roef van de trekschuit, zag ik steeds het beeld voor me van de man met de pruik.

“Wie is die man? Wat doet hij ? Is hij aardig?  Is hij rijk? Hij lijkt wel een prins.

Ik wilde alles van hem weten.

“Ja, prins”, antwoordde mijn vader, “dat zou hij wel graag willen, maar prins is hij niet”, en mijn vader zuchtte diep.

       De schipper blies op zijn hoorn.“We zijn er bijna”, zei vader.

We waren bij ‘Claesens Tille’. Daar woont Taeke en Taeke is arm, erg arm.    

       Ook ‘s-avonds zag ik nog steeds dat beeld voor me van die man met de pruik. 

”Maar waarom wil hij graag op een prins lijken?”, vroeg ik.

“Hij is regent, maar zou het liefst van adel zijn, maar omdat hij dat niet is, doet hij er alles aan om adellijk te lijken. Veel regenten versieren daarom zichzelf en hun huizen.” 

“Maar Idsert is toch ook van adel en die ziet er helemaal niet uit als een prins en Idserts vader draagt toch ook geen pruik?” reageerde ik verbaasd.

 

“Je hebt gelijk Eise”, antwoordde mijn vader en wilde er verder niet over spreken.             

       “Je was toen nog te jong om de grote mensenwereld te kunnen begrijpen”, zei mijn vader toen we er enkele jaren later opnieuw over spraken.

       Volgens mijn vader behoorden de Van Humalda’s en de regenten tot de hoogste stand, daaronder zaten de ‘brede burgerij’ en de ‘smalle burgerij’ en helemaal onderaan zat het ‘grauw’, de bezitloze massa. 

“En waar horen wij bij?”, wilde ik weten.

 “Dat hangt ervan af hoe goed het gaat in de wolkammerij, tijdens vette jaren bij de brede- en tijdens magere jaren bij de ‘smalle burgerij’”. 

“En Taeke?” “Wat denk je?”, vroeg hij zonder te antwoorden.

“Dat vind ik erg gemeen”, reageerde ik boos.

“Maar het ergste is”, zei mijn vader, “dat er mensen zijn die geloven dat God de standen zo heeft gewild en dat iedereen z’n hele leven tot die stand hoort waarin hij is geboren”. 

“Welke mensen geloven dat?” “Wat denk je?”, vroeg mijn vader opnieuw.

“De mensen van adel?” “Precies Eise, zij beschouwen zichzelf als betere mensen, minachten de lagere standen, hoeven zich, omdat God het zo heeft gewild, niets aan te trekken van de ellende waarin veel mensen leven. 

Ze hebben de macht, besturen het land en willen dat zo houden”.

 

 

 

 

 

 

 

                                EISES DIGITALE SCHATKIST

                              LEES, KIJK, DOE EN ONTDEK

 

 

👍De eerste helft van de 18e eeuw in Nederland noemen we ook wel de pruikentijd. Het was namelijk de gewoonte dat rijke mensen in die tijd een pruik droegen. Hieronder kun je lezen over Nederland in de pruikentijd. 

http-::www.schooltv.nl:vroegerenzo:2201977:werkstukken:item:2291401:de-pruikentijd:

 

👍Een leuk filmpje over de pruikentijd vind je op:

http-::www.studio100tv.be:videoclip:samson-en-gert:de-pruikentijd

 

👍In Rijksstudio Eise Eisinga 'De Trekschuit' vind je een serie tekeningen en schilderijen overhet leven in en rond het vervoer over water http-::hdl.handle.net:10934:RM0001.collect.71789

 

 

16. ONS HUIS EEN VRIJPLAATS                                                                                     

 

 

 

 

Die nacht, na het bezoek aan de regent, droomde ik. 

Een boze man met een grote woeste pruik schopte de zonnewijzer kapot.

Mijn vader en ik holden weg, achtervolgd door de man met de pruik en luid blaffende honden. Ik struikelde, viel bij de trap van het bordes naar beneden, schrok wakker en lag naast mijn bed op de grond. 

Gelukkig, het was maar een boze droom! 

       Of, hoorde ik toch echt schreeuwen en in de verte blaffende honden en werd er beneden op de deur geslagen? Ik kroop naar het trapgat. Daar beneden stond mijn vader.

Hij opende de achterdeur en een groep vrouwen, kinderen en mannen viel huilend en schreeuwend over elkaar naar binnen. De deur was nog maar net weer vergrendeld of er werd opnieuw, maar nu met stokken, op de deur geslagen. “Open de deur, of we breken hem open”, werd er geschreeuwd en blaffende honden gingen vreselijk te keer.

“Geen sprake van”, schreeuwde mijn vader. Hij was vastberaden en liet zich niet bang maken, ook niet toen ze riepen dat ze morgen zouden terugkomen om hem en ‘dat tuig’ in ‘het zwarte gat’ te gooien. 

Mijn moeder probeerde ondertussen de angstige kinderen en vrouwen op hun gemak te stellen, maar een van de vrouwen wilde met alle geweld weer naar buiten.

Ze miste een van haar kinderen .

Mijn vader heeft, samen met twee mannen, de hele nacht naar het kind gezocht.

Tegen zonsopgang kwamen ze weer thuis. Ze hadden het kind niet gevonden.

Enkele dagen later vonden jongens het kind in de trekvaart, vlak bij ons huis. Het was dood. Op de vlucht voor de honden, zo werd verteld, was het in de sloot gevallen en verdronken. Mijn vader en moeder hebben zich over de vluchtelingen ontfermd en ondergebracht in een tehuis voor armen en daklozen. 

De ouders van het verdronken jongetje waren ontroostbaar. “Dromen zijn bedrog”, zei mijn vader altijd, maar jaren later herinnerde ik mij deze boze droom en dacht: ” 

Maar boze dromen komen helaas ook wel eens uit”.

 

 

                                              EISES DIGITALE SCHATKIST

                                    LEES, KIJK, DOE EN ONTDEK

 

 

👍Eise vertelt dat het leven voor veel mensen uitzichtloos was.

Een film waar dat ellendige leven in beeld wordt gebracht vind je op   www.schooltv.nl: '1747 een roerig jaar'

 

👍Hieronder een beeldverslag van het roerige jaar 1747, de  dia's kun je vinden in Rijksstudio: https-::www.rijksmuseum.nl:nl:mijn:verzamelingen:116236--eise-eisinga:1747-pachtersoproer:objecten#:RP-P-1927-285,3

 

 

BEELDVERSLAG 1747 "En zoals Schelte waren heel veel boeren en arbeiders radeloos. Ze verdienden niets en alles was vreselijk duur".
Dat kwam door de hoge belastingen op brood,boter, suiker en turf.
De belastingpachters die de belasting moesten innen, waren zeer gehaat. Toen kwamen de boeren en de arbeiders tegen hen in opstand.
Ze hebben hun huizen kort en klein geslagen en in brand gestoken.”
Een boer knielt naast een dode koe en bidt tot God om verlossing van de vee- of runderpest die het land treft in 1745. Op de achtergrond huizen aan het water en het afvoer van gestorven vee in schuitjes. Op het blad onder de plaat een vers in 14 regels. Uit : Rijksstudio Veepest
Meer illustraties in Rijksstudio Eise Eisinga http://hdl.handle.net/10934/RM0001.collect.71789

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

13.10 | 22:07

Zelfs Nieuwenhuis zelf schrijft aan van Swinden dat Eisinga vanuit Gronau voor het eerst in Enschede aankwam, Maar ik lees hier nu een fantastisch verhaal dank!

...
26.01 | 18:08

Hiel moai hear!

...
29.05 | 21:29

Wat een mooi geheel! zoveel informatie, zoveel wijsheid, zoveel beschaving, en dat al van zo lang geleden! Laten we dit alles in ere houden en vooral: doorgeven

...
12.12 | 16:08

Wat merkwaardig dat de vrouw van Lambertus Nieuwenhuis Emma wordt genoemd. Zij heet in werkelijkheid Catharina (Katharina) van Lochem (1738-1817)

...
Je vindt deze pagina leuk