62. EEN NIEUW PLANETARIUM en 63. ZIJ WAS MIJN GROTE

"Het gebouw van mijn nieuwe Planetarium krijgt ook een koepel in de vorm van een halve holle globe die steunt op ontlastingsbogen in de blinde zijden van een bakstenen muur. Precies in het middelpunt, waar de cilinder overgaat in de koepel, plaats ik de zon die rust op een kolom."
"Ik heb mij laten inspireren door een tekening, die ik enkele jaren geleden bij Petrus Camper zag, een tekening van het Pantheon in Rome, een cirkelvormige tempel met een enorme koepel."

 

 

 

 

62.EEN NIEUW PLANETARIUM                                                                       

 

In de eerste helft van 1788 schreef Eise 'brieven aan zijn broer Stephanus', waarin hij een plan ontvouwde voor een nieuw te bouwen Planetarium. 

“Dat nieuwe Planetarium zal”, zo schreef hij, “het bestaande verre overtreffen en zijn weerga in de wereld niet kennen”. Hij vroeg Stephanus de plannen voor te leggen aan de Staten van Friesland en de Curatoren van de Franeker universiteit.

Eise maakte zich ondertussen grote zorgen over zijn vrouw Pietsje.

 

 

 

Beste Stephanus,                                                                               Gronau, 30 januari 1788

 

Na jouw brief waarin je schreef, dat Pietsje, Jelte en Jacobus op straat zijn gezet en dat andere mensen nu in ons huis wonen, heb ik het gevoel dat ik alles wat mij lief is, kwijt ben. Ik ben erg bezorgd over de zwakke gezondheid van Pietsje. Fijn dat Trijntje haar wil verzorgen en dat jullie de jongens in huis hebben genomen. Dat vooral onze kleine Jacobus z’n moeder zo mist, is heel begrijpelijk, maar op dit moment zie ook ik geen andere oplossing. 

Ik ben erg dankbaar voor jullie hulp.

Na mijn vlucht uit Franeker heb ik eerst enkele weken onderdak gevonden bij de familie Nieuwenhuis in Enschede. Ik verblijf nu al weer enkele weken in een herberg in Gronau, vlak over de Nederlands -Duitse grens bij Enschede. Het is hier in de herberg een komen en gaan van koetsiers en passagiers. Het doet me denken aan 'De Vergulde Hoorn' met de schippers en de reizigers van de trekschuiten. Ik huur een klein zolderkamertje met een bed en een krakkemikkig tafeltje. 

‘s-Avonds gebruik ik de maaltijd beneden in de kroeg. We zitten op rieten stoeltjes bij het haardvuur. Boven het vuur hangt, aan een lange ketting, een ketel, waaruit de waardin iedere avond hetzelfde gerecht opschept: een smakeloze brei van vlees en wortelen.Het doet mij denken aan een prent van Petrus van een man die zijn handen warmt bij een open vuur. Misschien is hij hier ooit geweest maar dan niet voor de gezelligheid want bepaald gezellig is het hier niet, temeer omdat ik als ‘de gevluchte Patriot uit Friesland’ met argus ogen word bekeken. Als balling leid ik een eenzaam bestaan. Eenzaam, omdat ik het gevoel heb nergens meer bij te horen. Mijn vroegere politieke vrienden, door wie ik mij bedrogen voel, zijn naar Frankrijk gevlucht en Beyma ‘achtervolgt’ me tijdens de vele slapeloze nachten. Ik betrap me erop dat hij bijna ongemerkt steeds weer bij mij binnenkomt. In gedachten voer ik felle twistgesprekken met hem. Heeft hij wel door wat hij op zijn geweten heeft? En hij maar ontkennen en ik maar aanvallen. Het is zijn schuld dat ik als een banneling zonder uitzicht op betere tijden mijn kostbare tijd hier zo nutteloos moet doorbrengen. Ik haat hem. 

         Toen er kortgeleden sprake was van amnestie voor gevluchte Patriotten, kreeg ik weer hoop dat ik snel weer naar Pietsje en de jongens kon terugkeren, maar ik heb begrepen, dat ik door die dreigbrief van Beyma aan Bergsma, kansloos ben. 

           

Voor de ballingschap werd ik geacht en gewaardeerd en omringd door een kring van bewonderaars. Hier ontmoet ik slechts vijandschap en ben erg op mijn hoede. Ik voel me een vreemdeling, een zwerver zonder houvast aan mensen en dingen. 

                                                     

Houvast zoek en vind ik soms bij mijn vriend Thomas, zoals vanavond: “Mensen veranderen snel en laten je spoedig vallen, nee je moet geen groot vertrouwen stellen in een broos en sterfelijk mens” en “Je hebt hier geen blijvende woonplaats en waar je ook verblijft je bent een reiziger en een gast.” 

Geen blijvende woonplaats, een reiziger, een gast, een balling, dat ben ik. 

Mijn houvast, dat zijn Pietsje, Jelte, Jacobus, mijn broers en zusters, mijn vrienden, dat is mijn werk als wolkammer en armvoogd, mijn Planetarium. 

Daar ligt mijn hart, daar leef ik voor. Zij geven mijn leven zin en kracht om het hoofd boven water te houden.

                                                                                                                            Eise.

 

 

 

Beste Stephanus,                                                                                            Gronau 1 maart 1788

 

De laatste weken gaat het beter met mij nu ik plannen maak voor een nieuw Planetarium. Of het ooit gerealiseerd wordt, weet ik natuurlijk niet maar plannen maken en werken, geven me nieuwe energie en ik kan daardoor ook wat beter omgaan met de gevoelens van verdriet en woede.

Het spookbeeld van Beyma kan ik zelfs van me afhouden!

Niemand weet nog van mijn plan Stephanus, jij bent de eerste aan wie ik het  voorleg. Het idee voor mijn Franeker Planetarium is destijds in de bedstee geboren. Ik heb het gebouwd om mensen van hun verkeerde ideeën en angst te bevrijden. Dit nieuwe plan is ook weer de vrucht van nachtelijke arbeid en geboren tijdens slapeloze nachten, maar nu ook met de bedoeling mijn eigen vrijheid terug te krijgen en weer gewoon te kunnen leven en werken, temidden van hen die mij lief zijn. 

          

Ik wil het Planetarium plaatsen in een rond gebouw dat de vorm heeft van een cilinder met een middellijn van tenminste achtentwintig voet en een hoogte van ruim veertien voet. Ik heb mij laten inspireren door een tekening, die ik enkele jaren geleden bij Petrus Camper zag, een tekening van het Pantheon in Rome, een cirkelvormige tempel met een enorme koepel.

Het gebouw van mijn nieuwe Planetarium krijgt ook een koepel in de vorm van een halve holle globe die steunt op ontlastingsbogen in de blinde zijden van een bakstenen muur.

Precies in het middelpunt, waar de cilinder overgaat in de koepel, plaats ik de zon die rust op een kolom. Rond de kolom komt een wenteltrap. 

Het uurwerk krijgt een plaats in deze kolom. 

Als ik in gedachten op de bovenste trap sta, tussen de ringen van Mars en Jupiter en mijn oog richt op de aarde, dan overzie ik de hele sterrenhemel  met zon, maan en planeten, die ieder op hun tijd en plaats ondergaan.

De sterrenbeelden schilder ik in kleuren op de halve bol en de belangrijkste sterren beeld ik uit door grote ronde glaasjes waardoor overdag het licht naar binnen valt. 

Dagelijks ben ik bezig met de verdere voltooiïng van het ontwerp.

Ik ben er zeker van dat dit nieuwe Planetarium het bestaande verre zal overtreffen en zijn weerga in de wereld niet zal kennen.

 

                                           

De plannen voor dit nieuwe en grotere Planetarium zijn overigens niet nieuw. Al tijdens de bouw in Franeker rijpte het idee voor een ander en groter planetarium dat meer overeenkomstig de werkelijkheid zou moeten worden. 

En van Swinden heeft, nog niet zo lang geleden, de Staten voorgesteld mij een geheel nieuw Planetarium te laten bouwen. 

Toen had ik echter nog geen uitgewerkte plannen en nu wel.

Wie weet dat deze verschrikkelijke jaren nog ergens goed voor zijn en ik er later toch nog positief op kan terugkijken. 

Ik heb geprobeerd het ontwerp zo duidelijk en begrijpelijk mogelijk te beschrijven. De tekeningen en berekeningen zend ik niet mee, maar als je dat wilt, stuur ik ze alsnog toe.

Ik hoop, Stephanus, dat je mijn plan op de juiste wijze kunt inschatten en dat je het wilt voorleggen aan de leden van de Friese Staten en de Curatoren van de universiteit en dat je hen weet te overtuigen van de grote waarde die dit nieuwe Planetarium kan hebben voor de universiteit, de stad en de provincie Friesland. 

Als er nog sprake is van enige liefde voor de wetenschap, dan kunnen ze dit voorstel toch niet afwijzen?

Als enige tegenprestatie vraag ik vrij en veilig naar Franeker te mogen terugkeren.

Ik stel je medewerking erg op prijs en wens je veel wijsheid en succes toe. Met spanning zie ik je antwoord tegemoet.

 

                                                                                                                         Eise.

 

 

                                                                                               

 Beste Eise,                                                                                                 Franeker,    5 mei 1788  

 

 

Ik heb slecht nieuws.

Het is mij niet gelukt de heren Statenleden en Curatoren voor jouw nieuwe planetarium te interesseren .

Bij mijn bezoek aan het Stadhouderlijk Hof stond ik al na  vijf minuten  weer op straat. ”Wij zijn niet geïnteresseerd in plannen van iemand die gevlucht is en aan vervolging tracht  te ontkomen”, was de reaktie. 

Mij werd de deur gewezen met de opmerking: “Laat Eisinga, als hij iets te melden heeft, hier zelf komen.” 

Bij de curatoren kreeg ik wel gelegenheid iets te vertellen over jouw plannen en dat het nieuw te bouwen Planetarium het bestaande verre zou overtreffen en zijn weerga in de wereld niet zou kennen, maar hun reaktie was niet serieus en zelfs beledigend.

Ze vonden dat je je politieke vrienden maar beter achterna kon reizen naar Frankrijk. Daar zou je er steenrijk mee kunnen worden en hoefde je niet meer als balling bij nacht en ontij rond te zwerven.

Misschien kun je toch eens nagaan of je je plannen niet ergens anders kunt realiseren. Terugkeer naar Friesland lijkt me uitgesloten. Of je zou moeten overwegen schuld te bekennen en spijt te betuigen. Mogelijk dat de heren daar wel gevoelig voor zijn.Veel sterkte, je broer Stephanus.

                                             

         .

 

                                                                           

      

Stephanus,                                                                                                     Gronau, 30 juni 1788

 

 

Ik begon me, zoals ik je schreef, juist weer wat beter te voelen en kon, dankzij een nieuw doel in mijn leven, ook weer wat beter omgaan met mijn verdriet en woede. Maar na jouw brief met het verslag van je bezoeken aan de Staten en de Curatoren ben ik weer terug bij af. Ik had kunnen weten dat ik geen enkele kans maak. Ik heb mezelf voor de gek gehouden.

Ik loop over van teleurstelling, van woede en van haat.

Plato moet ergens hebben geschreven dat de mens of een kosmos, een sieraad van orde en harmonie is, of een chaos, gedoemd zichzelf te vernietigen.

Zo’n vaart zal het met mij niet lopen, maar ik ben wel bang dat mijn innerlijke wereld wordt opgerold.

De laatste zinnen in jouw brief waren trouwens ook niet bepaald opwekkend. Begrijp ik het goed, dat je de gedachte van de curatoren om mijn heil maar in Frankrijk te gaan zoeken, om daar steenrijk te worden, nog niet zo’n gek idee vindt? Denk je nu werkelijk dat ook maar één haar op mijn hoofd erover piekert, schuld te bekennen en spijt te betuigen ? Nooit! 

Ik kan me niet voorstellen dat je dat serieus  bedoelt.

Voor alle duidelijkheid: ik heb maar één wens: zo gauw mogelijk terugkeren naar Pietsje, Jelte en Jacobus, naar jullie, mijn vrienden, mijn huis, werk en Planetarium. Maar niet tegen elke prijs!

     De laatste tijd moet ik nogal eens denken aan het verhaal van schoenlapper Piktried, dat pake Eise ons vertelde. Je zult het je ongetwijfeld ook herinneren.

“Onthoud dit verhaal en neem in je op wat het te vertellen heeft”, zei hij aan het eind. Waarom en wat ik precies moest onthouden, begrijp ik nu, na ruim veertig jaar, namelijk, dat je een grote schat, de vervulling van je bestaan, maar op één plaats in de wereld kunt vinden, namelijk op de plaats waar je staat.

 

Alle rijkdom, iedere vorm van genot, alles verbleekt bij het verlangen naar het eenvoudige alledaagse leven. Al het heerlijks in de wereld kan daar niet tegenop. Een grote schat, de vervulling van mijn bestaan is mij ontstolen. 

 

Ik wil heel veel doen om dat leven te heroveren. Maar nogmaals: niet tegen elke prijs! En terwijl ik je dit schrijf, wordt mij nog iets duidelijk. 

Heb jij ooit begrepen wat de betekenis van de tweede ketel was, die onder de eerste begraven lag? Ik niet, maar nu opeens wordt het hele verhaal mij duidelijk. Die eerste ketel bevat een grote schat namelijk de vervulling van je bestaan, de plaats waar je staat, het eenvoudige alledaagse leven. 

Die ketel is mij ontstolen. Maar die tweede ketel bevat mijn allergrootste schat, mijn hart, mijn geweten, mijn ziel en die zal ik nooit en te nimmer, voor niets ter wereld verkwanselen, nu materiële belangen in het geding zijn. Nooit!

Begrijp je wat ik bedoel Stephanus?

                                                 

Wat zou ik nog graag eens, samen met Pake Eise, op de rug van het vliegende paard Pegasus, langs de hemelbanen snellen, naar de planeten en naar de sterrenbeelden Andromeda en Cassiopeia.

En terug op aarde zou hij opnieuw zeggen dat de banen des hemels kennen, prachtig is, maar dat het kennen van je weg hier beneden veel belangrijker is en vervolgens zou ik hem vragen nog één keer het verhaal van Piktried vertellen.

En dan zou ik tegen hem zeggen:

”Pake, toen ik een kind was, vond ik het een mooi sprookje en U zei: “Je mag het een sprookje noemen, maar wel een sprookje dat je goed moet onthouden, want het verbergt een grote schat, maar een andere schat dan jij verwacht. Geen gouden munten, edelstenen of andere kostbaarheden, maar wel een kostbare waarheid. 

Nu ik een man ben, Pake, heb ik die kostbare waarheid ontdekt. 

Ik voel mij als Piktried. Door de eerste ketel wordt het mij duidelijk dat de plaats waar ik sta meer waard is dan alle rijkdommen in de wereld. Dankzij de tweede ketel heb ik ontdekt, dat je alles in de buitenwereld kunt verliezen: je vrouw, je kinderen, je huis, je levenswerk, maar dat niemand mij mijn allergrootste rijkdom kan afnemen, die ik hier in mijn binnenste bij mij draag: mijn hart, mijn geweten, mijn  wijsheid en mijn idealen.

Het is een rijkdom, mij door het leven geschonken. Een bezit dat je niet voor jezelf wilt houden, maar te gelde wilt maken, door het met anderen, in het eenvoudige alledaagse leven, te delen.

“ Naar die rijkdom moet iedereen zelf op zoek gaan, die moet ieder mens zelf ontdekken”, zei U. Nu ruim veertig jaar later begrijp ik wat U bedoelde.

En het is de ontdekking van mijn leven”. 

Tenslotte Stephanus nog het volgende.

Ik heb besloten om binnenkort uit Gronau te vertrekken. Niet naar Frankrijk, maar naar het noorden, naar Groningen, zo dicht mogelijk in de buurt van Friesland. 

Je zult na het voorgaande wel begrijpen waarom.

 

                                                                                                                            Eise.

 

 

 

Enkele dagen later maakte ik in de herberg  kennis met twee gevluchte patriotten uit Groningen. Het waren twee broers die sinds hun vlucht een zwervend bestaan leidden en als hannekemaaiers de kost trachtten te verdienen. Ik vertelde hen over mijn wolkammerij en Planetarium en mijn plannen naar het noorden terug te keren, om zo dichter in de buurt van Pietsje en de jongens te kunnen zijn. 

Van een Planetarium hadden ze nog nooit gehoord, maar des te meer wisten ze van het wolkammersvak. Een van de mannen had enkele jaren bij een wolkammer in Visvliet gewerkt. “Als je ooit naar Groningen gaat, kun je hem misschien eens opzoeken”, en hij gaf mij zijn naam en adres.

           

 

 

                                                EISES DIGITALE SCHATKIST

                                    LEES, KIJK, DOE EN ONTDEK

Vindt leuk'De laatste tijd moet ik nogal eens denken aan het verhaal van schoenlapper Piktried, dat pake Eise ons vertelde. Je zult het je ongetwijfeld ook herinneren.“Onthoud dit verhaal en neem in je op wat het te vertellen heeft”, zei hij aan het eind: EISE VERTELT 12

 

Vindt leuk'  Eise wil het nieuw te bouwen Planetarium plaatsen in een rond gebouw dat de vorm heeft van een cilinder met een middellijn van tenminste achtentwintig voet en een hoogte van ruim veertien voet. "Ik heb mij laten inspireren door een tekening, die ik enkele jaren geleden bij Petrus Camper zag, een tekening van het Pantheon in Rome, een cirkelvormige tempel met een enorme koepel." Eise moest het doen met een eenvoudige tekening; wij kunnen middels een video filmpje het Pantheon in Rome bezoeken: 

http-::oud.digischool.nl:ckv2:ckv3:kunstentechniek1:pantheon:pantheon.htm 

 

Vindt leuk'De herberg waar Eise verblijft doet hem denken aan een prent die Petrus Camper heeft gemaakt. Die prent kun je vinden in het Rijksmuseum:

http-::hdl.handle.net:10934:RM0001.collect.90355 

 

 

 

 63.  ZIJ WAS MIJN GROTE LIEFDE

BIJ DE DOOD VAN PIETSJE

 

 

 

Eind juni bereikte mij het bericht dat Pietsje op 27 juni was overleden.

Ik zag haar gezicht voor me, dat al die jaren zo vertrouwd dicht bij me was. 

Eerst  stralend van geluk en vol verwachting bij de geboorte van Trijntje en vlak daarna intens verdrietig en ontroostbaar.                                                    

       Zij was mijn grote liefde, mijn vrouw, mijn metgezel, lieve moeder van Jelte en Jacobus.

Lief en leed, hebben wij samen gedeeld en de herinneringen trokken aan mij voorbij. 

       Zoals haar reactie op het bericht over de ‘ontsloping van het zonnestelsel’ in 1774, toen ze hoogzwanger was, het verlies van Trijntje nog niet had verwerkt en ik besloot in onze woonkamer een planetarium te bouwen. 

Het was allemaal te veel voor haar.

Er waren ook momenten van puur geluk: toen ik Mercurius als eerste planeet aan het plafond hing, Pietsje haar zonnelied zong en Jelte ons antwoordde met zijn eerste lach en toen ik vanuit het Hemelsplein, door de open baan van Jupiter naar beneden keek en zag hoe Jelte en Pietsje samen een rondje om de zon liepen.

     Die geluksmomenten, ik wil ze vasthouden, ik wil dat er nooit een eind aan komt, maar ze worden overschaduwd door die beelden van totale ontreddering, toen ik moest vluchten en haar ziek en wanhopig met Jelte en Jacobus moest achterlaten.

     Hoe waren haar laatste ogenblikken geweest? 

Waren Jelte en Jacobus bij haar of was ze alleen?

     Ik herinner mij de laatste ogenblikken met mijn vader in 1784. 

Mijn hand op zijn handen. Ik depte zijn gezicht met een doek.

Hij opende zijn ogen en keek mij aan, om ze niet weer te sluiten.

Dat moment van sterven, van overgaan naar, naar waar? 

Maar de dood is een grens waar we met ons beperkte verstand niet overheen kunnen denken. 

De warmte van dat laatste ogenblik blijft voor altijd in mijn hart branden.

O, als ik dat met haar had mogen beleven, als ik zo afscheid had mogen nemen. 

Ik probeer mij zelf te troosten met de gedachte dat niets blijvend is, niets duurzaam en onveranderlijk, dat alles, ook ons eigen lichaam vergankelijk en van voorbijgaande aard is. 

En was het Socrates niet die zei dat niemand weet of de dood misschien niet het beste zal blijken te zijn wat de mens kan overkomen?

 

Ik besloot onmiddellijk naar Franeker terug te keren.

 

 

 

                                            

 

 

                                                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

"Het doet mij hier denken aan een prent van Petrus van een man die zijn handen warmt bij een open vuur. Misschien is hij hier ooit geweest maar dan niet voor de gezelligheid want bepaald gezellig is het hier niet".https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/RP-P-1882-A-4946

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

29.05 | 21:29

Wat een mooi geheel! zoveel informatie, zoveel wijsheid, zoveel beschaving, en dat al van zo lang geleden! Laten we dit alles in ere houden en vooral: doorgeven

...
12.12 | 16:08

Wat merkwaardig dat de vrouw van Lambertus Nieuwenhuis Emma wordt genoemd. Zij heet in werkelijkheid Catharina (Katharina) van Lochem (1738-1817)

...
15.11 | 14:06

Het portret op deze pagina is niet van Arjen Roelofs maar van diens biograaf Worp van Peijma. Toen Arjen stierf in 1828 bestonden er nog geen foto-portretten.

...
30.10 | 15:48

Uiterlijk gaan de verhalen over het leven van Eise en de tijd van de verlichting. Maar innerlijk worden uiteraard de gedachten en gevoelens van Meinte Vierstra zelf weerspiegeld. En hoe mooi en zo herkenbaar. De humor, de (jongens)dromen, het voortschrij

...
Je vindt deze pagina leuk